Siked!

Trad is rad! – Yo momma is a sportclimber

Gerke Hoekstra

Waarschuwing: trad is rad en na het lezen van deze tekst geef je een jaarsalaris uit aan nieuwe gear en wil je alleen nog maar jammen. Fervent tradklimmer Gerke Hoekstra deelt zijn liefde voor deze spectaculaire klimdiscipline waarbij je zelf je zekeringen legt. Crashpads en voorgeboorde haken kun je voortaan aan ‘de watjes’ overlaten.

Trad- of traditioneel klimmen is rotsklimmen waarbij je de route afzekert met ‘traditionele’ materialen zoals nuts en friends . Omdat deze tussenzekeringen meestal in cracks worden geplaatst, volgen trad-routes vaak spleten of spleetsystemen. Spleetklimmen vergt een speciale techniek: je moet je handen en voeten in de spleet verklemmen of ‘jammen’.

Gerke-Hoekstra_MartinFickweiler_670

Gerke Hoekstra in opperste concentratie (foto: Martin Fickweiler)

Tradklimmen gebeurt veel in de bergen en zijn voornamelijk lange rotsroutes, maar er bestaan ook enkele lengtes; een soort sportklimmen zonder haken. Door Nederlanders, en misschien wel Europeanen, wordt er relatief weinig trad geklommen. Dit komt omdat er in Europa meer kalkgebieden zijn dan bijvoorbeeld graniet-, zandsteen- of basaltgebieden, die meer voor trad geschikt zijn. In Amerika bijvoorbeeld is er veel meer van dit soort gesteente te vinden en is trad een volwassen klimdiscipline. Typische tradgebieden bij ons in de buurt zijn The Peak District in het Verenigd Koninkrijk en Ettringen in Duitsland.

Laatst probeerde ik aan een vriend uit te leggen wat tradklimmen zo speciaal maakt. Dat lukte maar mondjesmaat. Aan een klimmer – het betrof hier een boulderaar – hoef je meestal niet uit te leggen waarom we klimmen, maar tradklimmen wordt in Nederland toch vaak gezien als een spannende en obscure tak van sport…

Schrijven over klimmen

Waarom we klimmen, hard trainen, risico’s nemen en mooie steden links laten liggen om langer bij de rotsen te zijn weten we zelf heel goed. Erover praten of er zelfs een stukje over schrijven is een lastiger verhaal. Velen hebben zich eraan gewaagd om de liefde voor klimmen op papier zetten. Dit lijkt de heilige graal voor bergsportliteratuur te zijn.

Die vriend stuurde me een paar dagen later een essay van wijlen David Foster Wallace. In het stuk Federer as a Religious Experience beschrijft Wallace zijn liefde voor toptennisser Roger Federer – blijkbaar heb ik vrienden die ook lezen over andere sporten dan alleen maar klimmen. Als liefde voor klimmen moeilijk te beschrijven is, dan moet dat voor tennis onmogelijk zijn dacht ik nog. Maar de schrijver wist me te overtuigen. Hij beschrijft Federers genialiteit op basis van de liefde die hij voelt voor de man en voor de sport. En hij doet het goed.

Het gaat niet per se om hoe hard Federer de bal slaat, maar om de kleine dingen rond dat harde slaan. Zo beschrijft hij de ‘kinetische schoonheid’ die Federer in zijn slagen stopt en geeft voorbeelden van briljante momenten, zo levendig dat je de grond voelt daveren en het publiek uit zijn dak hoort gaan. Maar misschien gaat het vooral om de minder indrukwekkende details: hoe Federer zijn jasje netjes ophangt vlak voor de wedstrijd of zijn racket wisselt – het nieuwe racket netjes in plastic verpakt – in de 2e set.

Ik heb nog nooit een racket in mijn handen gehad, nog nooit een tenniswedstrijd bekeken, maar ik ben fan van Roger Federer.

Gerke Hoekstra publiceerde eerder op Siked! al zijn brieven aan Johan, over zijn solobeklimming van Mescalito in Yosemite

Tradklimmen

Goed, het kan dus; je liefde voor een sport uitdrukken op papier. En tradklimmen is veel te vet om niet de hele dag over te praten.

Klimmen is een vorm van kunst. Als je dan toch die metafoor gebruikt, dan is sportklimmen misschien iets moeilijks en moois maken, waarbij je ook synthetische materialen of – voor sommigen – onethische methoden gebruikt zoals gaten boren voor haken. Met tradklimmen gebruik je alleen natuurlijke materialen – spleten – om de route mee af te zekeren. Bij boulderen gebruik je natuurlijk helemaal geen materiaal, maar ja, daar kan je geen grote bergen mee beklimmen. Hoe zwart-wit men dit ziet hangt af van de persoon en van de ethiek die in ieder gebied geldt. Ik heb bijvoorbeeld niets tegen boorhaken, ik doe ook graag aan sportklimmen, maar soms vind ik het wel jammer als een spleetroute behaakt is. Soms klim ik zo’n behaakte spleetroute op natuurlijke protectie en laat ik de haken links liggen. Andere mensen zijn wat radicaler, die klimmen nooit ergens waar boorhaken zitten en zouden haken naast een spleet weghalen, met alle conflicten van dien. Veel sportklimmers denken hier niet eens over na en vinden het heerlijk, al die boorhaken. Wat mij betreft ook goed.

Gerke-Hoekstra_Yosemite_670

Tradklimmen is niet alleen natuurlijker, het is ook een meer avontuurlijke manier van klimmen. Als het alleen om de bewegingen zou gaan, en niet om het spanningsaspect, zouden we enkel nog topropen. Maar een route telt pas als je hem voorklimt, en daar komt toch altijd wat spanning en extra moeilijkheid bij kijken. Bij tradklimmen is er wat meer spanning en wat meer extra moeilijkheid, waardoor de stap tussen topropen en voorklimmen net even wat groter wordt. Ik zie dat ook bijvoorbeeld als ik met mijn vrouw in de bergen ga klimmen. Wat ik in de bergen onsight kan voorklimmen op eigen protectie, kan zij meestal precies naklimmen, terwijl het verschil tussen ons bij sportklimmen veel groter is. Zo kunnen we samen lange tradroutes klimmen en worden we allebei voldoende uitgedaagd.

Jammen!

En dan heb je nog het spleetklimmen. Zoals gezegd moet je jezelf bij tradroutes vaak omhoogwerken door je handen en voeten in een spleet te verklemmen. Veel mensen zijn een beetje bang voor spleetklimmen. En terecht. Het doet pijn en het is moeilijk. Ik ben ook bang voor uitklimmetjes in Fontainebleau. Hele specifieke klimstijlen zijn vaak spannend en moeilijk te leren.

Maar niets geeft zo’n kick als een perfecte handjam een paar honderd meter boven de grond. Als je het jammen eenmaal onder de knie hebt voelt dit veel zekerder dan het vasthouden van grepen. Is dit misschien waarom er in spleetklimgebieden vaker wordt gesoleerd dan in sportklimgebieden?
Bij spleetklimmen ben je niet afhankelijk van grepen. Er zijn geen grepen. ‘Er is even niks, geen rots, en als klimmer vul je de leegte op met jams’. [M. Fickweiler]

Gerke-Hoekstra_jammen_670

Gerke in z’n element: jammen kun je leren! (foto: Martin Fickweiler)

Er zijn een heleboel verschillende soorten spleten en jam-technieken, de belangrijkste zijn: vinger-, hand- en vuistjams. Alles wat groter is dan vuist en kleiner dan een schoorsteen wordt ‘off-width’ genoemd. Off-width routes zijn vaak het moeilijkst en het engst van allemaal, menig klimmer kan aan het begin van zijn spleetklimcarrière twee cijfergraden minder moeilijk klimmen als het om een off-width route gaat (8a ? 6a). Voor een zeer vermakelijke registratie over deze verschillende soorten spleetklimtechnieken verwijs ik graag naar de film Return 2 Sender.

Iets meer gedoe

En ja, het is iets meer gedoe (nee dat slepen met die crashpads, dat is lekker weinig gedoe…). Je hebt wat meer spullen nodig en je moet je iets beter voorbereiden voordat je instapt. Verder zijn massieven vol met mooie lijnen met een voor jou geschikte moeilijkheidsgraad zeldzaam. Dat vind je misschien alleen in Indian Creek USA. Zoals mijn vrouw Anne het zei: “bij trad zit er altijd maar één mooie lijn op een massief. Je rommelt er wat omheen om op te warmen en dan klim je die mooie lijn. Daarna moet je weer naar een ander massief lopen.”

Maar die lijn is dan vaak wel echt heel mooi. Geen rommelige gatenbrij met geboorde haken die de weg aangeven, maar een kaarsrechte scheur in de rots. Veel vaker dan bij sportklimmen kom ik lijnen tegen die me een gek gevoel in mijn buik bezorgen, waar ik een beetje bang voor ben, maar die ik moét klimmen. Als je aan het opwarmen bent voor zo’n lijn voel je je een beetje stout, en een beetje bang, en een totale baas.

We hebben tegenwoordig allemaal de kans om in klimfilms de grote sterke klimmers te zien excelleren. Wordt er een nieuw record gebroken? We zijn er heel dichtbij. De films worden steeds beter, je kan de spanning voelen en de magnesium ruiken. Laatst nog zagen we levende legendes Chris Sharma en Adam Ondra strijden om de eerste beklimming van la Dura Dura (9b+), één van de moeilijkste sportklimroutes ter wereld. Wat een strijd. Wat een talent. Maar even serieus, dat is toch geen lijn! Nee kijk naar Sonny Trotter en Didier Berthod. Die twee gaven een deel van hun leven aan de overhangende vingerspleet Cobra Crack. Beduidend gemakkelijker op papier, de moeilijkste spleetroute ter wereld is maar 5.14 (ergens tussen 8b+ en 8c+), maar wat een lijn en wat een visionaire beklimming! Een groot granieten blok dat in het wilde Canadese bos van Squamish ligt. Precies in het midden zie je een kaarsrechte scheur in het blok, waarin je – als je heel graag wilt – je vingertoppen kan verklemmen. Die verklemmingen zijn zo onzeker dat het plaatsen van de cams een uitdaging op zich is. Vlak voor het einde zit de crux: een kritieke jam met je middelvinger recht omhoog. De tenen zitten zo goed en zo kwaad als het kan in de dunne spleet geperst bij wijze van treden. En dan een enorme gooi naar de rand. Oef, ik heb alweer natte handen. Nog een voorbeeld: Wide boys Tom Randall en Pete Whitaker. Niks campussen, gewoon alleen nog maar harde offwidths klimmen, samen met plaatklimmen de moeilijkste discipline die er is. Offwidth-spleten zijn vaak de meest logische en opvallendste lijnen op een wand, maar de meeste klimmers blijven er ver uit de buurt. Deze mannen trainden zich een winter lang helemaal suf om de beste offwidth-klimmers van de wereld te worden. Eat this Sharma!

Nog even over het gedoe. Vaak zit er geen tophaak bovenin een tradroute. In sommige gebieden zijn ze zo principieel tegen het boren van gaten of ook maar iets achterlaten, dat je dit helemaal niet tegenkomt. Als er geen tophaak zit moet je boven op het massief stand maken en je zekeraar laten nakomen. Als je dan samen op de top bent kan je omlopen. Dit kan heel wat meer tijd kosten en voelt misschien als veel gedoe. Ik zeg des te meer reden om een beetje door te werken, dan kan je toch nog 10 routes per dag doen. En je kan van een nood een deugd maken en een biertje meenemen naar de top bij de laatste beklimming van de dag. Samen een biertje delen bovenop het massief terwijl de zon ondergaat. Het kan zomaar de mooiste herinnering van je vakantie worden…

Gerkes-vrouw-(Anne)-met-gear_670

Belangrijk: gear sorteren!

Is dat niet gevaarlijk?

Tradklimmen kan gevaarlijk zijn, net als alle andere klimdisciplines. Net als dat je bij boulderen hoge boulders en slechte afsprongen hebt, en bij sportklimmen lastig te klippen tweede haken en soms lange haakafstanden, heb je bij tradroutes spannende en totaal niet spannende routes. Hoe spannend een route is hangt natuurlijk af van je ervaring, fitheid en van de route zelf. Als de route bestaat uit een parallelle spleet die precies zo groot is dat er een #1 camelot in past, hangt het er, qua veiligheid, maar net vanaf hoeveel cams van deze maat je bij je hebt. Ik heb wel eens een route geklommen met tien #3 camalots aan mijn gordel. Toch vond ik dat nog steeds heel weinig omdat de route lang was en #3 camelot voor mij een hele onzekere maat is (tussen hand en vuist in = cupped hands). Aan de andere kant heb ik wel eens een lange lengte geklommen met een spleet die de maat had van een #2 camalot, voor mij een ideale jam-maat, ofwel precies één hand, en toen vond ik één tussenzekering genoeg. Dit had te maken met mijn spleetklimervaring en fitheid van dat moment.

Alex Honnold heeft volgens mij wel eens gezegd dat hij nooit een #2 camelot meeneemt omdat hij in die maat zo comfortabel is dat hij niets hoeft te plaatsen. Maar Alex Honnold moeten we misschien niet citeren als we een stukje schrijven om tradklimmen te promoten en om duidelijk te maken hoe leuk, veilig en toegankelijk het kan zijn.

Mijn vrouw vind tradklimmen minder eng dan sportklimmen (ze kan ook net zo moeilijk tradklimmen als dat ze kan sportklimmen, daar ben ik nogal trots op). Ze kiest routes uit die goed af te zekeren zijn, routes die onbeperkt cams accepteren. En dan heeft ze toevallig een man die van alle maten drie of vier cams heeft, zodat ze zich mooi vol kan hangen met materiaal. Ze plaatst dan soms wat veel tussenzekeringen, maar daar krijg je bij tradklimmen geen minpunten voor. Met sportklimmen moet je het maar doen met de haken die de opener heeft geplaatst, met een tradroute mag je plaatsen zoveel en wanneer je wilt.

Een mooi en spannend aspect van tradklimmen: je kunt niet altijd van beneden inschatten wat voor materialen je kan plaatsen. Een voorbeeld is klimmen in the Peak District. De klimmer die voor de onsight gaat neemt van alles wat mee. Je bent altijd bang dat je hoog boven je laatste nut staat, en dat er dan een perfecte plaatsing voor je neus zit, voor een maat die je niet meer hebt. Vaak kan je uiteindelijk maar drie of vier plaatsingen leggen in de hele route. Als de tweede klimmer gaat voorklimmen neemt die alleen die drie maten mee, waarvan hij net heeft gezien dat die passen. De eerste klimmer heeft misschien wel twee bossen nuts en 20 friends mee, de tweede klimmer misschien slechts drie nuts.

Gerke, vastgeklemd in een offwidth

Gerke, vastgeklemd in een off-width

En dan moet je de nuts en friends natuurlijk goed plaatsen, op de juiste manier, op de juiste plek. Het snel en goed plaatsen van gear kost tijd om te leren. En belangrijker nog, het kost tijd om te weten wat goed is en wat je kan vertrouwen. Bij korte routes (Ettringen) plaats ik – als ik comfortabel ben en denk dat ik niet val – vaak om de paar meter een zekering om me van de grond te houden. Als ik me echt ga committeren en de kans aanzienlijk is dat ik val, zoals bij de crux van een moeilijke route, dan plaats ik twee goede zekeringen vlak bij elkaar. Bij lange tradroutes zoals in Indian Creek plaats je steeds zo laat mogelijk om gear te sparen. Je valt toch niet op de grond en het geeft altijd een goed gevoel om nog wat cams in de juiste maat over te hebben.

Tradklimmen: als je psyched bent om het te leren is het makkelijk: volg een cursus, lees boeken, probeer te klimmen met ervaren mensen, speur het internet af voor artikelen en instructievideo’s. Verder moet je natuurlijk heel veel meters maken.

Tips ‘n tricks

Waarschijnlijk moet je leren spleetklimmen én leren om materiaal te plaatsen. Dé tip: scheid deze twee onderdelen. Spleetklimmen leer je door heel veel meters te maken zonder de afleiding van spannend voorklimmen op gear. Topropen dus. Je kan bijvoorbeeld een toprope inhangen ‘by all means’, via een andere route, door artificieel klimmen (is sowieso een handige vaardigheid!) of door iemand te vragen dit voor je te doen. (Ga in Ettringen niet proberen dit via boven te doen.) Nu ga je de spleet klimmen en zo min mogelijk grepen en treden buiten de spleet gebruiken. Je bent ten slotte aan het trainen.
Op gear klimmen leer je door heel veel nuts en friends te plaatsen. Klim makkelijke en veilige routes, plaats veel materiaal. Eventueel kan je je klimmaatje de route laten leeghalen en ondertussen jou tussenzekeringen laten beoordelen. Je kan zelfs eerst in toprope oefenen met het plaatsen van de gear en dan pas voorklimmen. Als je op een gegeven moment wat lastigers gaat voorklimmen doe je dat eerst in een nette stijl (De enige stijl: met de gear aan je gordel!) en dan nog een paar keer in toprope voor de training.

Als je nog niet zoveel materiaal hebt, hoeft dit geen reden te zijn om geen trad te klimmen. Zorg dat je met een groepje gaat, zodat je samen genoeg spullen hebt of leen nuts en friends van klimmers uit de hal, die het spul toch maar laten verstoffen.

Let op voetfouten. Bij spleetklimmen sta je meestal in de spleet waar ook de tussenzekeringen inzitten. Hierdoor is de kans groter dat bij een val het touw achter je voet komt. Let hier op en draag een helm. Spreek ook af met je maatje dat je elkaar waarschuwt als iemand het fout doet. Je moet jezelf aanleren om het touw altijd netjes op de bovenkant van je voet te houden, hiervoor moet je soms aparte bewegingen maken.

Geef niet op. Het kan een tijdje duren voordat je het doorhebt. Misschien kan je de eerste paar keer geen pas maken en kom je beteuterd uit een route. Maar dan in een keer – Bam! – heb je het door en maak je echte solide jams. En wil je nooit meer anders.

Jammen kan pijn doen. Je hangt aan delen van je huid die daar niet aan gewend zijn. Er zijn verschillende manieren om deze potentiële afleiding te managen. Je kan tape gebruiken, stukken binnenband van een brommer, of je kunt speciale handschoentjes kopen. Voor een compleet overzicht van alle mogelijkheden en technieken is google je beste vriend en gebruik Engelse zoektermen. Probeer verschillende methoden om uit te vinden wat voor jou werkt. Als je op een gegeven moment ervaren bent ga je vanzelf minder met tape klimmen, omdat je dan meer gevoel hebt in moeilijke routes. En vergis je niet, deze pijn is niet alleen maar slecht. Niets is beter dan met opgezwollen handen, vol met schrammen en een vage glimlach op je gezicht aanschuiven bij de maandagmorgenmeeting op kantoor.

Over Gerke Hoekstra

Gerke Hoekstra is rotsklimmer. De afgelopen 10 jaar werkte hij zo min mogelijk – klimmuren bouwen, boomverzorging en industrieel klimmen – om zoveel mogelijk te kunnen klimmen. In 2004 ging hij voor het eerst naar Yosemite en beklom daar de beroemde bigwalls El Capitan en Half dome. Daarna volgden expedities naar ondermeer Patagonië, Algerije, Suriname en Groenland.

Tegenwoordig wordt er wat meer gewerkt. In plaats van lange expedities richt Gerke zich nu op moeilijke traditionele routes, sportklimmen en korte efficiënte tripjes – weekend warrior style – naar multipitch gebieden in Europa.

Gerke zat ook al bij Chiel Peters op de SOFA

Gerke-Hoekstra_MartinFickweiler_670_2

Foto: Martin Fickweiler

 

Over de auteur Bekijk alle berichten Auteur website

Paul Kaufman

Hoofdredacteur en mede-oprichter van Siked! Deze taaltechneut eet gewoonlijk keien als ontbijt, maar gooit eigenlijk net zo lief een touwtje uit. Naast klimmen en boulderen doet Paul vooral aan klimmen en boulderen.