Siked!
Dragon scales in Fontainebleau

De bomen hadden net zoveel geleden als ik. Gegeseld door de jaren reiken ze naar de hemel om te groeien, alleen om te groeien. Maar waarom hield ik die greep niet vast?

De mythische drakenschubben van Fontainebleau missen het doel dat voor de oude bomen zo vanzelfsprekend is. Rots groeit niet, maar slijt tot een kiezel, daarna tot zand, om tot slot weer door de wind op te waaien en tegen andere rotsen te schuren. Wat dat betreft is een steen tamelijk zelfdestructief te noemen. Net zoals ik op dit moment.

Ik stort me opnieuw op de boulder.

De neus van mijn schoen vormt zich om de tree die kort geleden nog onzichtbaar werd verklaard. Mijn kuiten schreeuwen het uit, maar de pijn is niet te vergelijken met het gevoel dat door mijn vingers gaat. De vingertoppen zoeken naar het enige positieve randje op de greep. Een speld in een hooiberg is gemakkelijker te vinden.

Paniek, ontreddering. Een regenboog aan emoties overvalt me wanneer ik tandenknarsend op de mat land. Het ging slechter dan de vorige keer.

Falen

Falen is inherent aan klimmen. Het is wat de sport zo interessant maakt en wat je terug doet komen naar die boulder, die beweging, die ene greep.

Falen is ook wat klimmen haar charme geeft. Doordat een probleem niet in een oogwenk opgelost kan worden, creëert de kans van falen een microkosmos waarin alleen jij en de boulder verblijven. Voor een moment staat het leven stil, sta je los van het alledaagse wel en wee en beleef je een moment van hyperconcentratie.

Na een val wordt die microkosmos nog nauwer, en intenser. Dit is vaak het moment waarop je jezelf leert kennen; als klimmer en als persoon. Menig muurbloempje ontpopt zich tot een competitieve krijger, die geen genoegen neemt met “nog één laatste poging.”

It ain’t over ‘till it’s over.

Fontainebleau

Een schreeuw valt als een doek over de kruinen van de toeschouwers. Met al mijn macht werk ik me langs de moeilijkste weg naar boven. De smaak van bloed vloeit over mijn tong, zo hard bijt ik op mijn tanden. Persen, gaan, allez.

Dan is alles opeens voorbij. De storm is gaan liggen (of bevind ik me in het oog van de oorkaan?) en ik kijk naar beneden. Een trotse spotter steekt zijn duim omhoog, “goed gedaan” zegt een ander. Maar ik voel me leger dan ooit. De grenzen van de kosmos die ik naast mijn blozende wangen voelde zijn nu verder verwijderd dan ooit. De wereld is weer de wereld van iedereen. Het project is binnen, maar ik heb niets.

Nadat ik plichtsgetrouw het kruisje in mijn topo heb genoteerd, kijk ik opnieuw naar de boulder. Eerder was het een mythisch land vol van geheimzinnige mogelijkheden. Nu heeft de rots al haar charme verloren. De romantiek is weg, voor altijd.

Mijn ogen keren terug op de verbleekte pagina’s van de topo. Misschien vind ik daar een nieuwe uitdaging. Een nieuwe obsessie. Een nieuwe reden van bestaan.




Een flash is zonde

En dat is, lieve mensen, waarom klimmen en falen zo nauw met elkaar verbonden zijn. En verklaart ook waarom een flash zo zonde is. Alle ervaring, pijn en geluk van een project gaan daar namelijk mee verloren.

Dus als het de volgende keer even niet lukt, als je hopeloos op je pad belandt (of in je touw landt – kan ook natuurlijk) en wanneer je met tranen tussen de bomen ijsbeert, denk dan aan hoe verschrikkelijk een flash is. Zo verschrikkelijk dat het verboden zou moeten worden.

         

Over de auteur Bekijk alle berichten Auteur website

Paul Kaufman

Hoofdredacteur en mede-oprichter van Siked! Deze taaltechneut eet gewoonlijk keien als ontbijt, maar gooit eigenlijk net zo lief een touwtje uit. Naast klimmen en boulderen doet Paul vooral aan klimmen en boulderen.